donderdag 10 november 2016

De vignetten van Nil Volentibus Arduum en het hondje van Gerard de Lairesse



In 1668 was de advocaat Andries Pels (1631-1681) getuige bij de doop van De Lairesses oudste zoon Andreas.[1] In hetzelfde jaar vervaardigde De Lairesse de titelprent voor diens Didoos doot en ook de illustraties bij Didoos doot en Julfus. Andries Pels debuteerde met deze stukken op de Amsterdamse Schouwburg.[2] De stukken bestonden beide uit drie bedrijven, die alternerend werden opgevoerd. Julfus had de functie van de minderemanstonelen, de komische intermezzi in ‘ernstige’ rederijkersspelen. Voor beide stukken maakte De Lairesse drie gravures.[3]

Toen in 1669 het genootschap Nil Volentibus Arduum werd opgericht was Pels één van de leden. Hij zal er verantwoordelijk voor zijn geweest dat De Lairesse betrokken raakte bij het genootschap. In 1669 en in 1670 maakte De Lairesse twee versies van het vignet van Nil, dat dienst zou doen op de uitgaven van de toneelstukken in de periode 1669 tot 1671.[4] Deze vignetten waren anoniem, maar zijn in de catalogi van zijn werken altijd aan hem toegeschreven.[5]
In de extractnotulen van Nil[6] is over een opdracht voor deze vignetten niets te vinden, maar dat De Lairesse toentertijd de vaste graveur van Nil was, blijkt ook uit het feit dat het portret van Willem III in het voorwerk van het door Nil uitgegeven toneelstuk van Diederik Buysero Astrate (1670) van de hand van De Lairesse is.
De illustraties en de titelprent bij de toneelstukken van Pels zijn wel voorzien van monogrammen, resp. zijn volledige naam.
Zowel Timmers als Roy beelden versie 1 van het vignet af. Zij kenden dit vignet van de titelpagina van Buysero’s Astrate.
Ook zonder deze bevestiging is het duidelijk dat de vignetten van De Lairesse waren: je hoeft alleen maar het hondje op dit vignet te vergelijken met het hondje dat staat afgebeeld op Kaïn vlucht na de moord op Abel uit 1665. In de veilingcatalogus van de Leidse burgemeester J. van der Marck, waarin de handschriften en drukken uit de nalatenschap van het kunstgenootschap werden aangeboden, wordt dit vignet treffend omschreven als “het tijtelvignet waerin De Bassende Hond”.[7]

Vignet versie 1 (detail)

Vignet versie 2 (detail)

Gerard de Lairesse, Kain en Abel (detail)
Ook het nieuwe vignet uit 1677 is van de hand van De Lairesse. Het met zijn monogram gesigneerde vignet werd in 1689 en 1694 gebruikt, het met zijn complete naam gesigneerde vignet werd echter pas vanaf 1694 gebruikt en in 1700, 1702 en 1704 hergebruikt[8]. Vóór die tijd waren deze vignetten anoniem. Het hondje is weggelaten en van de drie figuren is er één overgebleven die naar de boom boven op de rots reikt. Op 8 december 1676 werd De Lairesse verzocht “een nieuwe schets te maaken van een plaatje voor het werk. Op 6 april 1677 is het koperen plaatje al gemaakt om gebruikt te worden in de Dichtkonstige wérken van het Konstgenootschap.[9]
 

Vignet met De Lairesses monogram
 
In de extractnotulen staat wel iets over een ander vignet, dat echter pas veel later gebruikt zou worden. Op de tweede vergadering op 3 december 1669 wordt “Ter spreuk aangenomen Latet Utilitas; ter zinnebeeld twee kuyffelaars[10] etcetera”.[11] Het motto Latet Utilitas was ontleend aan Ovidius’ Metamorfosen, boek 6, vs. 438: ‘Usque adeo latet utilitas’ (Zolang het nut verborgen/onbekend is. In de vertaling van Vondel: ‘Hoe weinigh weet de mensch wat nut is!’[12])
Op 10 maart 1671 wordt teruggekomen op deze spreuk: “Is by meerder getal van stemmen beslooten de byzondere werkjes der leden niet uit te geeven met het gewoonen merkteken van Nil Volentibus Arduum, maar de spreuk en het merkteken van Latet Utilitas, zoals hetzelve van te vooren geconcipieert was; daartoe op te laaten maaken en te gebruiken.”[13] Op 24 november 1676 lezen wij: “Pels zal zorg dragen, dat’er een finaaltje[14] gemaakt werde met twee kuiffelbordjens[15] en een kuiffeltje[16] en de spreuk Latet Utilitas”.[17] Hier is geen sprake van de kuiffelaars. Dit finaaltje zal hoogstwaarschijnlijk onderdeel zijn van de lessenaar, waarin de notulen en andere papieren van Nil werden opgeborgen. 

Een vignet met het motto Latet Utilitas zou echter pas voor het eerst in 1715 worden gebruikt op de titelpagina van Galatéus, of Welgemanierdheid van Giovanni Della Casa, in 1716 in De leevendige doode van Ysbrand Vincent (naast een Nil-vignet van De Lairesse) en veel later, in 1763 in het blijspel De Schaakingen.[18] Dit blijspel werd uitgegeven door Adriaan Hupkes, die naar eigen zeggen enige manuscripten van Nil had verkregen. Hij gebruikt het Latet Utilitas-vignet dat naar zijn zeggen ‘in den beginne door het genoemde Konstgenootschap gebruikt is geweest’. Deze drie vignetten zijn volledig identiek. Hupkes heeft dus de beschikking gehad over de oorspronkelijke gravure.


Bernard Picard, l’Etude veut du relache (1714) naar Gerard de Lairesse, Latet utilitas (1669)

Het merkwaardige is dat deze gravure in de catalogi van Timmers en Roy niet voorkomt. In het Rijksprentenkabinet bevindt zich een exemplaar van dit vignet onder de titel Een leraar speelt badminton met zijn leerling, Bernard Picart, naar Gerard de Lairesse, 1714. Onder de prent zelf staat: L’Etude veut du relache. B. Picard fecit 1714. Picard was de schoonzoon van Ysbrand Vincent, de enige van de Nil-leden die toen nog in leven was. Hij bezat het archief, waarin het ontwerp van De Lairesse uit 1669 voor dit vignet aanwezig zal zijn geweest. Nu Picard er een gravure van had gemaakt, kon het eindelijk gebruikt worden, ook al was het dan niet voor ‘de byzondere werkjes der leden’. Gelukkig komt op deze afbeelding ook De Lairesse’s trouwe hondje weer voor.



[1] Jaap van der Veen, “Very proud, self conceited, debauched & extravagant’. Gerard de Lairesse en zijn Amsterdamse jaren.’In: Eindelijk! De Lairesse. Klassieke schoonheid in de Gouden Eeuw. Red. Josien Beltman [e.a.]. Zwolle [enz.], 2016, p. 23. De doop vond plaats op 29 augustus 1668 (Ecartico. Linking cultural industries in the early modern Low Countries).
[2] Andries Pels, Didoos doot, treurspel. Met eenige konstwerken, vertoont op d’Amsterdamsche Schouwburg. Amsterdam 1668, en Julfus, blyspel. Vertoont op d’Amsterdamsche Schouwburg. Amsterdam 1668. De première was op 27 augustus 1668. Het was het eerste premièrestuk van het seizoen 1668-1669.
[3] Tijana Z̆akula markeert deze gravures als de start van De Lairesse als graveur (Tijana  Z̆akula, ‘Rackets, balls and fancy robes. The destiny of De Lairesse’s first vignette for Nil Volentibus Arduum.’ In “Gij zult niet feestbundelen”. 34 Bijdragen voor Peter Hecht. Amsterdam, 2016, p. 262-267).
[4] Zie voor de twee versies van het vignet in dit blog Joannes van den Bergh en de messieurs Nil volentibus arduum.
[5] J.J.M Timmers, Gérard Lairesse. Amsterdam, 1942, p. 127  en Alain Roy, Gérard de Lairesse (1640-1711). Paris, 1992, p. 447.
[6] B.P.M. Dongelmans, Nil volentibus arduum: documenten en bronnen. Een uitgave van een inleiding, commentaar en een lijst van N.V.A. drukken. Utrecht, 1982.
[7] Naemrol der Nederduitsche Tooneelspellen, bijeen verzameld en nagelaeten door Wijlen […] Johan van der marck […]. Leyden, 1774, p. 3.
[8] Dongelmans, p. 398, gravure 12, die gesigneerd is met het monogram GL van De Lairesse. Gravure 11 is de eerste gravure die met de volledige naam, GLairesse F[ecit] is ondertekend en vanaf 1694 in gebruik was.
[9] Dongelmans, p. 171. De gebruikte gravure is nr. 3, die dus vóór gravure nr. 2 verschenen moet zijn. Deze gravure werd alleen in 1676 en 1678 gebruikt. Gravure 2 komt op tussen 1678 en 1723 gedateerde uitgaven voor.
[10] Kaatsers. Het spel lijkt op badminton.
[11] Dongelmans, p. 30.
[12] P. Ovidius Nazoos Herscheppinge. Het zeste boek,vs. 587. Tijana Z̆akula gaat in op het motief van het raketspel in de kunst in de 16de en 17de eeuw.
[13] Dongelmans, p. 58.
[14] Een puntige afwerking als sluiting, bijvoorbeeld op een kastje.
[15] Rackets.
[16] Shuttle.
[17] Dongelmans, p. 161.
[18] Voorbericht aan den leezer (De schaakingen, p. [*2r]). Hupkes was de uitgever van De Hollandsche Tooneel-Beschouwer, waarin de opvoeringen op de Schouwburg nogal kritisch werden besproken.