vrijdag 11 maart 2016

Focquenbrochs speelplaats plaats van spel van de Min in’t Lazarus-huys

Willem Godschalk van Focquenbroch (1640-1670) schreef zijn toneelstuk Min in’t Lazarus-huys vlak voordat hij naar Elmina vertrok.[1] Het stuk is een bewerking van Lope de Vega, Los locos de Valencia (De gekken van Valencia). De eerste opvoeringen vonden plaats in de Amsterdamse Schouwburg in 1683. De voorstellingen werden hervat in 1725 en het stuk zou vervolgens uitgroeien tot een enorm kassucces tot en met het eerste kwart van de negentiende eeuw.[2] Het feit dat er gekken in voorkomen was zeker een onderdeel van het succes.
Vanaf oktober 1760 zou de Min alleen nog worden opgevoerd in de kermistijd, wanneer er veel mensen van buiten de stad naar Amsterdam kwamen om zich te vergapen aan trapezeacts, poppenspelen en theater. Tijdens de kermis werd elke dag, behalve op zondag, een voorstelling gegeven. Deze voorstellingen werden goed bezocht en waren regelmatig uitverkocht. De Min was één van de successtukken. De voorstelling zou in toenemende mate worden opgesierd met divertissementen, pantomimes, variété en komische tussenspelen die tussen de bedrijven en na het stuk werden opgevoerd.[3] Deze toevoegingen werden al snel dé attractie van de opvoeringen. Het is ook niet ondenkbeeldig dat het publiek ook een kijkje ging nemen in de dolhuizen om de echte gekken te zien. De toegang kostte ongeveer één stuiver en was een welkome inkomstenbron voor deze instelling.[4] De wandeling naar het Lazarushuis was vanaf de Botermarkt (het tegenwoordige Rembrandtplein), het middelpunt van de kermis, een korte. Door de Amstelstraat, de Amstel over, nog een stukje Amstelstraat, en men was er. Tegenwoordig staat op de plaats van de Antoniespoort de Portugees-Joodse synagoge, waarvan de bouw in 1672 startte. Het Lazarushuis bevond zich waar nu de onbebouwde ruimte met kinderspeelplaats van het Mr. Visserplein ligt, tussen de synagoge en de Mozes en Aäronkerk, ter hoogte van het Arsenaal. Voor de aanleg van dit plein in de jaren ’60 van de vorige eeuw werd o.a. de Lazarussteeg gesloopt. De Lazarussteeg was een steeg die uitkwam op de Jodenbreestraat. Het Leprozenhuis heeft daar tot 1867 gestaan.
Nationaal Archief, Den Haag, VTHR Verzameling Binnenlandse Kaarten Rozemond, 1533-1913, nummer toegang 4.VTHR, inventarisnummer 4638C, detail

Focquenbroch had voor de verplaatsing van de handeling van Lope de Vega’s Valenciaanse Hospital de Ignoscents, Folls é Orats (hospitaal voor zwakzinnigen, krankzinnigen en zinnelozen) naar Amsterdam de keuze uit twee instellingen, het dolhuis en het Lazarushuis. Het dolhuis, gelegen aan de Kloveniersburgwal, dateerde uit 1562. Hier werden ‘razende’, hysterische mensen aan een ketting in cellen, ‘huisjes’, geketend. Zij leefden in isolement omdat ze een gevaar voor zichzelf en voor anderen vormden. Zo’n instelling leende zich niet voor de luchtige handeling van de Min. Focquenbroch was echter zeer vertrouwd met de andere instelling waar onnozelen werden opgenomen, namelijk het Lazarushuis.[5] Het Lazarushuis was gelegen aan het einde van de Breestraat, later de Jodenbreestraat genoemd, en de Houtgracht, tegenover de Sint Antoniespoort. Focquenbroch had van zijn vierde tot zijn tiende in de Breestraat gewoond, in het huis De Silvere Doorne Croon tegenover de Sint Antoniesluis.[6] Het Lazarushuis lag dus bijna tegenover Focquenbrochs huis. Dit was zijn speelterrein. Het is zeer voorstelbaar dat Focquenbroch daardoor op het idee kwam juist dit toneelstuk van Lope de Vega te vertalen en bewerken.

            Het dolhuis had al vanaf 1573 te kampen met ruimtegebrek. De oplossing hiervoor werd gezocht bij andere instellingen, waaronder het leprozenhuis, later het Lazarushuis genoemd. Het aantal leprozen verminderde in de loop der tijd aanzienlijk. Er kwam dus ruimte vrij in het Lazarushuis. O. Dapper schrijft hierover in zijn Historische beschryving der stadt Amsterdam (1663): ‘Tegenwoordigh worden hier in niet alleen zulke luiden (namelijk de leprozen), gebraght, maer zijn ook hier in eenige slechte of malle luiden, die daer om Gods wil, of van hun vrienden of ouders in besteet worden, […].’[7] Er zouden tot in de achttiende eeuw nog leprozen worden verpleegd, maar er werden dus ook onnozelen, zwakzinnigen, epileptici, dementen en andere mensen, die zich in de maatschappij niet konden handhaven en niet konden worden opgevangen door familie en buren, gehuisvest. Er werd een vleugel van het gebouw voor hen bestemd. Het regime was hier minder streng dan in het dolhuis. De patiënten konden evenwel, indien noodzakelijk, worden vastgeketend in hun cel of er alleen maar opgesloten, ze konden worden geboeid aan handen of voeten. Een veel gebruikt middel om hen veilig vast te binden is de zogenaamde rinkelstoel. Dit is een stoel waaraan bellen zijn gehangen, zodat de bewegingen van de patiënt gehoord worden, en men bij onraad snel kon ingrijpen. De simpelen en dementerenden kregen een blikken slab voorgebonden om hun kwijl op te vangen. Uit afbeeldingen is op te maken dat er meer dan één model bestond. De eerste vorm is van voren bijna helemaal gesloten. Deze stoel staat afgebeeld op de titelprent van de eerste druk van de Min, die in 1674 bij Jacob Vinckel verscheen. Een andere fraaie afbeelding kan men vinden op de historieprent Droom: op Victory-nacht van de Bisschop van Munster in ’t Lazarus-huys, ook al uit 1674.[8]
©Trustees of the British Museum.
Het tweede type stoel is te zien op een afbeelding in het derde deel van de Koddige en ernstige opschriften van Hieronymus Sweerts, waarop Jonas Jonasse van Mee-vecht, t’Amsterdam in’t Lazarus huis, zittende in een stoel met rinkels, met een blikke quyl-lap op de borst, en een bontje om den hals te zien is. Deze afbeelding dateert van ca. 1655.[9] Met Jonas Jonasse van Mee-vecht hebben we meteen kennis gemaakt met één van de inwoners van het Lazarushuis. 




Er is ook een inwoonster bekend: Annetje met het kleine hoofdje. Dit was Annetje Visser, geboren in 1600 en gestorven in 1698.[10] Zij heeft het zelfs geschopt tot iconisch figuur op een andere historieprent, Den Cardinaal van Furstenberg, ontwaakt uyt den droom, […], spreekt zittende tot Bon in ’t dolhuysje, waar zij rijdende op een stok-met-paardenhoofd centraal op de afbeelding staat, overigens met een normaal geproportioneerd hoofd.[11]
©Trustees of the British Museum.

Een ontroerend prentje uit 1698 laat haar zien met haar mantra: ‘gy moet niet steelen’. Zij zat niet vast in de rinkelstoel en zal zonder twijfel aan het werk zijn gezet als hulp bij de verzorging van de ongelukkigen die wel in de rinkelstoel werden vastgehouden of waren opgesloten. 

Het ligt voor de hand dat degenen die zonder bezwaar zelfstandig konden rondlopen klusjes ten behoeve van het Lazarushuis deden, zoals ook de twee ‘gekken’ Marten en Klaes in Focquenbrochs stuk.[12] Dat de rinkelstoel een kenmerkend meubelstuk is in het Lazarushuis valt bijvoorbeeld op te maken uit een pamflet uit 1672, Roskam, op de vier sinneloose ambassadeurs, waarin de auteur zijn tegenstanders laat ‘Loopen in het Laasrus-huys’ en daar aan toevoegt: ‘Daar zijn noch Stoelen leegh’.[13]
            De Min begint met Cupido, die vanuit zo'n rinkelstoel de toeschouwers toespreekt. Deze scène is door Focquenbroch toegevoegd, voorafgaand aan zijn bewerking van Lope de Vega's Los locos de Valencia. Hij heeft hiermee een herkenbaar beeld geschetst voor het publiek. Het is ook meteen de kern van hetgeen zal volgen: de hoofdpersonen zijn gek. Ze laten zich niet leiden door hun verstand maar door hun hormonen. Ze zijn slachtoffer van deze Cupido, de god van de onkuise liefde, en zijn dus niet toerekeningsvatbaar. Cupido heeft het niet over de gekkenpraat die zij uitslaan om niet ontmaskerd te worden als bij hun verstand zijnde, maar over hun verliefdheden waardoor zij ‘sot’ worden. Te beginnen bij Ferdinand die in een vlaag van jaloezie inhakt op een gewaande medeminnaar van zijn vriendinnetje, waardoor hij vanuit Den Haag helemaal naar Amsterdam moet vluchten en in het Lazarushuis terecht komt. En dan de knecht van Isabella’s vader, Leonard, die zo dwaas was te geloven dat Isabella verliefd op hem was en die, wanneer het tegendeel blijkt, in een vlaag van woede haar van haar juwelen en bovenkleren berooft, waardoor Isabella in het Lazarushuis verzeild raakt. Waarna alle meisjes die in het Lazarushuis rondlopen, al dan niet zogenaamd gek, verliefd worden op Ferdinand en dus allemaal zot worden. Zelfs Joris-vaer wordt op een gegeven moment verliefd op Isabella. Voor de liefde heeft Cupido geen emplooi, maar des te meer voor de fysieke aantrekkingskracht, de ‘geile min’.
Het zou leuk zijn wanneer de Min in’t Lazarus-huys ooit nog eens met Cupidootje in de rinkelstoel en wat kleurrijke figuren zou worden opgevoerd.[14]





[1] Zie voor enige bijzonderheden de bijdrage in dit blog van 14 januari 2016 (Joannes van den Bergh en de messieurs Nil volentibus arduum).
[2] Marja Geesink en Anna de Haas. 'De opvoeringen van de Min in't lazarus-huys, 1683-1821: een overzicht.' In Fumus 9 (2011), p. 50-86.
[3] Zie voor deze tussenspelen Anna de Haas, 'Een onbekende traditie in de Amsterdamse Schouwburg: de tussenspelen in Focquenbrochs Min in 't lazarushuis (ca. 1760-1818).' In Jaarboek Amstelodamum 103 (2011), p. 36-69.
[4] G. Hellinga, 'Geschiedenis der geneeskunde. Het Amsterdamse Dol- of Krankzinnigenhuis.' In Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde: 76 (1932) II, p. 1603-1620, p. 1611.
[5] Voor de geschiedenis van het Amsterdamse dolhuis raadplege men C.A.L. Sander, ‘Het dulhuys of dolhuis aan de vesten of de Kloveniersburgwal.’In Maandblad Amstelodamum 45 (1958), p. 229-238; voor die van het Lazarushuis I.H. van Eeghen, 'Het Leprozenhuis te Amsterdam.' In: Maandblad Amstelodamum 42 (1955), p. 85-90.
[6] Bauke Hekman en Bas de Ligt, ‘De inventaris van de boedel in het woonhuis van  Focquenbrochs vader (1649).’In Fumus 9 (2011), p. 20. Bij de Sint Anthoniessluis spelen zich de eerste scènes af.
[7] O. Dapper, Historische beschryving der stadt Amsterdam: waer in de voornaemste geschiedenissen (na een kort verhael van gansch Hollant en d’omleggende dorpen, als ambachts-heerlijkheden, onder deze stadt gelegen) die ten tijde der herdoopers, Nederlandtsche beroerten, en onder Prins Willems, de tweede, stadt-houderlijke regeering, hier ter stede voor-gevallen zijn, verhandelt, en al de stads gemeene, zoo geestelijke als wereltlijke, gebouwen, in meer als tzeventigh kopere platen, met haer nevenstaende beschrijving, vertoont worden. Amsterdam 1663, p. 415.
[8] F. Muller, De Nederlandsche geschiedenis in platen. Beredeneerde beschrijving van Nederlandsche historieplaten, zinneprenten en historische kaarten. Deel 1 (Jaren 100 tot 1702). Amsterdam 1863, nr. 2540.
[9] Hieronymus Sweerts, Het derde deel der koddige en ernstige opschriften op luyffens, wagens, glazen, borden, graven, en elders. Met vlijt uytgeschreven en by een gezamelt. Amsterdam 1700, t.o.p. 7.
[10] In het Museum Boerhaave te Leiden is de uitnodiging voor haar begrafenis te vinden (Inv.nr. P02669).
[11] Op deze prent is ook een variant met de titel De Bisschop rasende uyt den droom ontwaeckt, door de optocht van den Heer Rabenhooft. Beide prenten zijn uit 1674.
[12] Dit was in die tijd gebruik in alle instellingen, zoals bijvoorbeeld in het weeshuis en in het rasphuis.
[13] Den Haag, Museum Meermanno, sign. 116 D 138.
[14] Bij de opvoeringen door de Haagse Comedie in het seizoen 1987-88 werd een voor dit doel prima tekstuitgave gemaakt: W. G. v. Focquenbrochts Min in 't Lazarus-huys : blyspel; [red. Claudia de Weerd]. Amsterdam, 1987 (Toneelteksten, 49).

maandag 1 februari 2016

Nog een paar opmerkingen over Johannes van den Bergh en Johanna Wasteliers

In de vorige bijdrage is betoogd dat de oorzaak van de ondergang van Johannes van den Bergh als uitgever niet kon liggen aan het feit dat hij door het collectief Nil Volentibus Arduum de laan uit was gestuurd. De argumenten die hiervoor waren gegeven waren niet valide. Het zal eerder het gevolg zijn geweest van zijn drankzucht. Zoals Hekman ook al opmerkt laat Arnoldus Moonen, neef van Johanna Wastelier, in 1670 een bruiloftdicht om waarschijnlijk die reden bij een ander verschijnen. Hier volgen nog enige aanvullingen op Hekmans artikel.[1]

Van den Bergh zou na 1670 niets meer uitgeven. Op 29 juli 1670 verscheen de laatste advertentie in de Oprechte Haerlemse Courant, waarin twee uitgaven van hem werd aangekondigd: Points fondamenteaux de la vie vraimant Christiene van Jean de Labadie en Ken teeckenen van de Weder geboorte van H. Schluter. De advertentie voor deze uitgaven werd ook in de Ordinaris Dingsdaegsche Courant, no. 30 van 29 juli 1670 geplaatst. Op 20 april 1671 hield Van den Bergh een boekverkoping, waarbij zijn fonds vermoedelijk zal zijn opgekocht door andere boekhandelaars. Dit zou tegelijkertijd inhouden dat hij uit het boekhandelaarsgilde zou worden uitgeschreven en daarna geen boekhandelaar meer kon worden.[2] Hij bleef zeer waarschijnlijk wel in het bezit van enige handschriften van W.G. van Focquenbroch. In april 1674 had hij crediteuren achter zich aan en zat dus zwaar in geldnood.[3] Om aan geld te komen zou hij wel eens er toe over kunnen zijn gegaan het handschrift van Focquenbrochs onvoltooide toneelstuk Min in’t lazarus-huys, dat hij in 1669 aan Nil had aangeboden te verkopen.[4] Hij vond dan een koper in Jacob Vinckel, bij wie het stuk nog in 1674 zou verschijnen.

J. Wasteliers 1678
Johanna Wasteliers 1680


Zijn vrouw, Johanna Wasteliers, van wie hij vanaf 1676 gescheiden leefde[5], zou van 1676 tot 1680 zijn doorgegaan met het drukken van theologische werkjes. Van Eeghen schrijft deze uitgaven echter toe aan Jean Wasteliers (1644-?), en kent alleen drukken uit 1679 en 1680.[6] Alblas schrijft in navolging van Van Eeghen het merendeel van deze drukken ook aan hem toe.[7] Maar twee in 1680 verschenen boeken zet hij op naam van Johanna.[8] Op deze titelpagina’s stond haar naam voluit. Op de overige uitgaven is de naam ‘J. Wasteliers’. Ook prijkt op de titelpagina van de beide uitgaven met ‘Johanna Wasteliers’ hetzelfde vignet met de spreuk Haec muta loquuntur. Laur. Cost. als op de uitgaven van Johannes van den Bergh, dit in tegenstelling tot de drukken met ‘J. Wasteliers’. De druk uit 1679 van Jacobus Koelmans Twintig zonderlinge exempelen, waar een plakkertje met Van den Bergh op was geplakt, geeft ook slechts ruimte voor ‘J. Wasteliers’ in het adres. De STCN stelt alle uitgaven op naam van Johanna. Maar er moet toch een verklaring zijn voor het gebruik van twee verschillende namen. Het ligt dan voor de hand dat we hier inderdaad met twee verschillende personen te maken hebben op hetzelfde adres.

De Wasteliers, afkomstig uit de kring van de Waalse kerk, specialiseerden zich in devote, piëtistische en puriteinse boeken. Het wereldse fonds van Van den Bergh, zoals de werken van Focquenbroch, zetten zij niet voort. Op 30 oktober 1680 wordt Johanna begraven. Van Jean heb ik zijn sterfjaar niet kunnen vinden. Misschien overleed hij in 1680, nog vóór Johanna, die daarna de uitgeverij alleen voortzette. Of wellicht droogde met de dood van Johanna het bedrijfskapitaal op en stopte de uitgeverij om die reden.

In 1681 komt Johannes van den Bergh nog een keer voor als schuld hebbend aan de toen in liquidatie zijnde uitgeverij van Daniel Elsevier, helaas zonder dat het bedrag wordt genoemd.[9] Hij zou op 28 december 1690 worden begraven.[10]





[1] Bauke Hekman, ‘Een stand van zaken: Johannes van den Bergh (1640-1690), leven en werk.’In: Fumus 13 (2015), p 46.
[2] I.H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725. V-1 De boekhandel van de Republiek 1572-1795. Amsterdam, 1678, p. 243.
[3] Hekman 2015, p. 48.
[4] Zie het vorige blog.
[5] Hekman 2015, p. 49.
[6] I. H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725. IV. Gegevens over de vervaardigers, hun internationale relaties en de uitgaven N-W, papierhandel, drukkerijen en boekverkopers in het algemeen. Amsterdam, 1967, p. 167-168. Op p. 198 staat het volgende vermeld: J. Wasteliers behoorde in okt. 1678 tot de 96 gildeleden, die het rekwest tegen het omlopen en nadrukken tekenden.
[7] J.B.H. Alblas, Johannes Boekholt (1656-1693). The first Dutch publisher of John Bunyan and other English authors. With a descriptive bibliography of his publication. Met een samenvatting in het Nederlands. Nieuwkoop, 1987, p. 167-169.
[8] Alblas 1987, p. 120.
[9] I.H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725. III. Gegevens over de vervaardigers, hun internationale relaties en de uitgaven A-M. Amsterdam, 1965, p. 113 en 119.
[10] Stadsarchief Amsterdam, DTB 1229, p.100 en p.101. Archief van de Burgerlijke Stand: doop-, trouw- en begraafboeken van Amsterdam (retroacta van de Burgerlijke Stand). Begraafregisters voor 1811: NL-SAA-10825162.

donderdag 14 januari 2016

Joannes van den Bergh en de messieurs Nil volentibus arduum

In het nieuwste nummer van Fumus, het orgaan van de Stichting Focquenbroch, lijkt Bauke Hekman zijn jarenlange onderzoek naar de handel en wandel van Joannes van den Bergh te hebben afgerond. Joannes van den Bergh was de uitgever van Willem G. van Focquenbroch. Met grondig onderzoek in de archieven van het Stadsarchief van Amsterdam heeft hij een fraai beeld geschetst van deze dronkenlap en vrouwenmepper.[1] Helaas heeft hij één bron niet goed gecontroleerd.[2] Onder verwijzing naar een artikel van Karel Bostoen[3] schrijft Hekman:

Vanaf 1669-1670 ging het mis met Van den Bergh. Hij joeg het kunstgenootschap Nil volentibus arduum, waarvoor hij in eerste instantie tot tevredenheid werkte, tegen zich in het harnas toen hij enkele pamfletten uitgaf van labadistische signatuur en op de titelpagina van de Astrate (1670) van Dirk Buysero hetzelfde Nil-vignet gebruikte als op de titelpagina van de eerder bij hem verschenen De gelyke tweelingen. Buysero was geen lid van Nil volentibus arduum, terwijl het gebruik van het Nil-vignet, dat als kwaliteitsmerk van Nil dienst deed, dat wel suggereerde.

Bostoen kwam tot deze lezing van de gebeurtenissen op basis van een onjuiste interpretatie van de volgende passage uit het pamflet Poëtae Heautontumorumenoi, dat in november 1670 verscheen:

Ian van den Bergh, als de eer van hunne Poëzy te drucken niet waert, van die schoone Calandisie [= klandizie] berooft: die daer door oock (mits [= vanwege] het sterck aendringen van sijn vrouw) tot die vunse materie van lof, en Laster-schriften van den Heer Labadie[4] te drucken, vervallen is: doch het heeft met sijn eerste meesters noch eenige gemeenschap, want die alsoo wel als Labadie noch een tijt te moet sien, daer de rechtsinnige Poëten, als by hem de vromen het ventje [= de baas] sullen in speelen.[5]

Bostoen leest hierin dat Nil Van den Bergh de laan uit heeft gestuurd omdat hij Labadistische geschriften ging uitgeven. In september en oktober 1669 waren echter al twee Labadistische werken door Van den Bergh uitgegeven. Een flink gedeelte van het fonds van Van den Bergh, eerst uit de kring van de Waalse gemeente en vervolgens van de Labadistische gemeenschap, was feitelijk door zijn echtgenote binnengehaald.[6] Dat Nil hem vanwege zijn Labadistische uitgaven aan de dijk zou hebben gezet, is dus nogal vreemd, aangezien het ook aan Nil bekend zal zijn geweest dat Van den Bergh dergelijke boeken uitgaf. Het was kennelijk op dat moment geen bezwaar. Omdat Van den Bergh geen werk meer van Nil kon verwachten had hij de tijd om twee omvangrijke werken te produceren, en dat zal zeker gedaan zijn op instigatie van zijn vrouw. Het waren Ken-teeckenen vande wedergeboorte van Henricus Schluter (Heinrich Schlüter (1647-1675), een Duits proponent, die Labadist was geworden) en De Labadie’s Points fondamentaux de la vie vraimant chretiene. Beide boeken verschenen in juli 1670.

Geheel uit de lucht gegrepen is de veronderstelling dat Van den Bergh de fout is ingegaan met het drukken van Buysero’s toneelstuk Astrate en dat dit gedrukt zou zijn ná Nils toneelstuk De gelyke tweelingen. Astrate was echter het eerste stuk dat Van den Bergh voor Nil te drukken kreeg. Het verscheen anoniem, met het vignet van Nil volentibus arduum.[7] De voorstelling van zaken, als zou Van den Bergh op basis van de lovende woorden van Antonides in de opdracht voor De gelyke tweelingen verondersteld hebben dat Buysero's stuk het keurmerk van Nil verworven zou hebben en dat hij daarom Astrate op eigen initiatief had uitgegeven met het vignet van Nil, is aantoonbaar onjuist.[8] Astrate ging op donderdag 6 januari 1670 in première en zal rond die datum zijn uitgegeven, in ieder geval vóór De gelyke tweelingen, dat op dat moment nog niet voltooid was. Het titelvignet van Astrate is hetzelfde als het in 1669 door Pieter Arentsz. voor het eerste collectieve stuk Agrippa gebruikte vignet. Dit vignet is de eerste versie van het Nilvignet.

Vignet versie 1 (1669)

  
Het werd door Nil aan Van den Bergh ter beschikking gesteld om op de titelpagina van Buysero’s stuk te zetten. De tweede versie van het Nil-vignet werd gebruikt voor De gelyke tweelingen dat rond 27 februari werd uitgegeven.[9]

Vignet versie 2 (1670)


De vignetten zijn duidelijk te onderscheiden aan de hand van de hoeveelheid takken aan de boom links boven en de gelaatsuitdrukking van de onderste man.
Dit tweede vignet zou met Nil meeverhuizen naar hun volgende drukker, Adriaen van Gaasbeeck.[10] Van den Bergh had dus zeker niet twee toneelwerken tegelijk onder handen.[11] Er was ook geen sprake van twee doodzonden in de ogen van het genootschap, zoals Bostoen in een eerder artikel beweerde.[12] In dit artikel laat hij De gelyke tweelingen ter ondersteuning van zijn bewijsvoering eerder verschijnen dan Astrate.[13]
Dirck Buysero was bevriend met Antonides en Ysbrand Vincent, beide lid van Nil. Vincent had zijn klucht Pefroen met'et schaapshooft, een vertaling van Poisson, Lubin, ou le sot vangé (1661), in 1668 opgedragen aan Buysero. In deze opdracht haalt hij herinneringen op aan een verblijf te Vlissingen en Middelburg in het gezelschap van Buysero, die hem bij die gelegenheden had getrakteerd op voorlezingen van onder andere zijn vertaling van Terentius' Heauton Timorumenos en een klucht van Poisson, ‘het vertaalde Klucht-spel van le Fou Raisonnable, of den Verstandige Gek’, dat Buysero voor de rederijkerskamer van Vlissingen had vertaald. Nil had geen aanmerkingen op het stuk Astrate, maar wel op de opvoering ervan op de Schouwburg, zoals blijkt uit de Poëtae Heautontumorumenoi (p. 7): ‘Doch Nil volentibus arduum waren niet minder geck, doense soo raesden om dat Astrate niet op sijn Romeyns gespeelt wiert, ’t welck wel eygen maer om de kou, en oude kleedingh verschoonlijck was.’ Men had dus niet Buysero’s stuk, maar de opvoering ervan op de korrel genomen.[14] Het zal in die beginperiode van Nil zeker de bedoeling zijn geweest om ook stukken van derden uit te geven, die naar het idee van het genootschap voldoende kwaliteit zouden bezitten. Dat dit niet doorzette kan als oorzaak hebben dat een publicatie onder de vlag van Nil in deze periode automatisch betekende dat het niet zou worden opgevoerd op de Schouwburg. Dit lot was Buysero’s stuk nog niet beschoren in de eerste periode van de pennenkrijg tussen Nil en de toeleveranciers van de Schouwburg. Het stuk zou regelmatig en met succes worden opgevoerd op de Schouwburg.[15]

Op 26 november 1669 vond de eerste vergadering van het genootschap Nil Volentibus Arduum plaats. Het eerste ‘tegenstuk’, Agrippa, verscheen ongeveer tegelijkertijd, bij Pieter Arentsz. (II), de uitgever van Antonides. Voor hun toneelwerk zochten zij kennelijk een andere uitgever dan Arentsz. De vermoedelijke reden hiervoor is dat hun uitgever/drukker in staat moest zijn te beginnen aan het drukken van de kopij zodra Nil dat wilde. De op de Schouwburg in première gaande stukken dienden zo snel mogelijk met een tegenstuk van repliek worden gediend. Arentsz. was een druk bezet uitgever en daarom minder geschikt. Joannes van den Bergh daarentegen had voldoende tijd om aan deze eis te voldoen. Daarbij kan als aanvullende eis gekomen zijn dat hij exclusief voor Nil en hun vrienden zou gaan drukken, zoals dit ook de praktijk was bij de relatie tussen de Schouwburg en hun uitgever Jacob Lescailje.[16] Op de derde vergadering, op 10 december 1669, werd W.G. van Focquenbrochs Min in’t Lazarus-huys ter bespreking voorgesteld, waarover Bouwmeester en Lingelbach zich zouden buigen. Het was ongetwijfeld Joannes van den Bergh, de uitgever van Focquenbrochs werk, die deze tekst heeft aangeboden in de hoop dat men het, na enige bewerking, van voldoende niveau zou vinden om in hun toneelfonds op te nemen. Focquenbroch zat op dat moment ver weg, in Elmina, waar hij in 1670 zou overlijden. Het is overigens zeer de vraag of hij zou hebben ingestemd met de uitgave van een in zijn ogen onvoldragen product. Zijn vriend Johannes Ulaeus toonde zich later, wanneer hij de uitgave van Focquenbrochs werk voorbereidde, dan ook nogal ongelukkig dat dit spel wel was gedrukt, onaf en wel:[17]

Als dan sult ghy haer [bedoeld is de beoogde uitgave van het volledige werk] noch met een Oude Vorstelijcke Comedie op het Toneel sien verschijnen, dewelcke den Autheur (uyt het Spaens over geset hebbende) haer noyt by sijn Leven toegelaten heeft te ageren: door dien de selve wat te stadigh [=traag] na sijn sin zijnde, altijdt van hem met stilswijgendheydt is achter gehouden.[18]

Voor Nil was deze nauwelijks bewerkte vertaling, ook al voldeed het aan de belangrijke eis te zijn aangepast aan de Amsterdamse situatie en was er de indeling in vijf bedrijven, kennelijk niet de moeite waard. Voor Van den Bergh was dit, in combinatie met het feit dat hij na slechts twee stukken gedrukt te hebben de laan werd uitgestuurd, de aanleiding om hartgrondig de pest aan de messieurs Nil volentibus arduum te krijgen. Dit uitte zich in het door Van den Bergh geschreven dan wel geïnspireerde voorwoord bij de eerste druk van de Min, verschenen bij Vinckel in 1674:

Des ick U.E. versoeke mijn nagelatene kluchtspelen te erkennen als U.E. eygen, deselvigen te verdedigen gelijck een bequaem voorvechter tegen de lasterende werelt, en voornamentlijck tegen de messieurs Nil volentibus arduum die, gelijck sy de Parnas in roer stellen, veel op mijn Min in’t Lazarus-huys met berispingen sullen voltiseren, maer soo U.E. naem niet de pijne waert acht haer te bekibbelen, soo wijst se na Joris-Vaer.[19]



[1] Voor eerdere artikelen van Hekman over Van den Bergh raadplege men de afleveringen van Fumus op de website van de stichting, http://www.focquenbroch.nl/.
[2] Dit stuk is gebaseerd op de inleiding bij de tekstuitgave van het pamflet Poëtae Heautontumorumenoi, of, Penne-krygh tusschen de Reformateurs der Poëzy, en E.B.I.S.K.A (1670). De uitgave van dit pamflet door Anton Bossers en Marja Geesink is in voorbereiding.
[3] Karel Bostoen: ‘Over de editeur van Focquenbrochs Min in’t Lazarus-huys (1674).’ In: Fumus 6 (2008) p. 7-8.
[4] Jean de Labadie (1610-1674) was een Franse ex-jezuïet, die na een aantal conflicten zich bekeerde tot een vorm van protestantisme, die dacht dat het einde der tijden nabij was en dat alleen wedergeborenen zouden worden gered. In 1666 werd hij predikant in de Waalse gemeente te Middelburg, waar hij na conflicten in 1669 weer werd afgezet. In 1669 vertrok hij naar Amsterdam, waar zijn huisgemeente zich ontpopte als sekte, die zich van de wereld af keerde. Er werd van verschillende kanten fel op deze sekte gereageerd.
[5] Poëtae Heautontumorumenoi, of, Penne-krygh tusschen de Reformateurs der Poëzy, en E.B.I.S.K.A. Amsterdam, Willem de Lange, 1670, p. 14.
[6] De vrouw van Johannes van den Bergh, Joanna Wastelier, kwam uit een Waalse familie. Dit zal de reden zijn dat door Van den Bergh een aantal theologische werken uit die kring waren uitgegeven. Misschien dat Joanna Wastelier rond 1670 aanhangster is geworden van Jean de Labadie, toen deze zich in Amsterdam bevond.
[7] [D. Buysero], Astrate, koning van Tyrus. Amsterdam, Johannes vanden Bergh, 1670 (signatuur UB Leiden 1089 B 18: 1).
[8] Karel Bostoen, ‘De noodgreep van een uitgever: de heer P.H. in Focquenbrochs Min in’t Lazarus-huys.’ In: Fumus 9 (2011), p. 31.
[9] De opdracht voor De gelyke tweelingen van Joannes Antonides aan Pieter Blaeu is gedateerd op 3 februari 1670, op dezelfde datum als die van de opdracht van het bekritiseerde stuk van Joan Blasius, Dubbel en enkkel, jok- en ernst. In de Oprechte Haerlemse Courant plaatste Van den Bergh op 27 februari 1670, de echte publicatiedatum, de volgende advertentie: “Tot Amsterdam, by Johannes van den Bergh, Boeckverkooper bezyden het Stadthuys, is gedruckt en werdt uytgegeven: de gelijcke Tweelingen, Klucht-spel, noyt op de Amsterdamse Schouburgh gespeelt, tot onderscheyt van een dubbel en enckel Jock en Ernst-Spel, op de Amsterdamse Schouburgh vertoont, beyde getrocken uyt de Menaechmi van Plautus.”
[10] Dongelmans heeft het verschil tussen de beide versies niet opgemerkt en benoemt ze allebei als ‘vignet 1’ (B.P.M. Dongelmans, Nil volentibus arduum: documenten en bronnen. Een uitgave van een inleiding, commentaar en een lijst van N.V.A. drukken. Utrecht, H&S: 1982, p. 393 en de beschrijvingen van de afzonderlijke Nil-drukken in de Alfabetische lijst van Nil Volentibus Arduum drukken, p. 319-388).
[11] Bostoen 2011, p. 30.
[12] Bostoen 2008, p. 8
[13] Deze fout leeft dus voort in Bauke Hekman, ‘Een drukker aan de drank: de neergang van Johannes van den Bergh, drukker-boekverkoper te Amsterdam.’ In: Fumus 11 (2013) p. 21 en nog eens in Bauke Hekman, ‘Een stand van zaken: Johannes van den Bergh (1640-1690), leven en werk.’In: Fumus 13 (2015), p. 47.
[14] Dit is dus tegenovergesteld aan het in Bostoen 2011, p. 31, noot 16, gestelde. Buysero is in die tijd een relatie van enkele leden van Nil.
[15] Ook de stukken van Andries Pels, David Lingelbach en Ysbrand Vincent werden gewoon op het repertoire gehouden. Alleen de stukken van Lodewijk Meijer werden verbannen met ingang van het seizoen 1671-1672, niet toevallig na het aantreden van de haatdragende Joan Blasius als schouwburgregent.
[16] Lescailje drukte hooguit twee niet aan de Schouwburg gerelateerde boeken per jaar, vermoedelijk om de stille zomermaanden nuttig te besteden. Adriaen van Gaasbeeck, de opvolger van Van den Bergh, vestigde zich in mei 1670 in Amsterdam als filiaal van de uitgeverij van zijn broers in Leiden. De enige boeken die Adriaen van Gaasbeek zelfstandig en alleen in Amsterdam, dus zonder zijn broers in Leiden, uitgaf in 1670 en 1671 waren de Nil-uitgaven. Alle overige titels die in de STCN op zijn naam zijn te vinden zijn de Leidse drukken van zijn broers. Ook Albertus Magnus, die vanaf 1677 de uitgever van Nil werd, bracht vrijwel exclusief werk van Nil uit.
[17] De beide delen van Focquenbrochs Thalia, of geurige zang-goddin gaf Van den Bergh uit na het vertrek van Focquenbroch naar Elmina. Hij was dus in het bezit van de handschriften van al diens ongepubliceerd werk. Hij zal zonder twijfel op de hoogte zijn geweest van het feit dat Focquenbroch de Min in’t Lazarus-huys als niet afgerond beschouwde.
[18] Willem G. van Focquenbroch, Afrikaense Thalia. Uitgegeven door Jan Helwig. Deventer 1986. Fotomechanische herdruk van de uitgave: Amsterdam: Jan ten Hoorn, 1678. (FELL 5), fol. π4r.
[19] W.G.V. Focquenbroch, Min in’t Lazarus-huys, blyspel. Amsterdam, Jacob Vinckel, 1674, fol. *2v. Joris-Vaer was in dit stuk de vader van het Lazarushuis.

woensdag 13 augustus 2014

De schrijvende advocaat Joan Blasius pleegt plagiaat en komt er drie en een halve eeuw mee weg




In 1670 verscheen het pamflet Poëtae Heautontumorumenoi, of, Penne-krygh tusschen de Reformateurs der Poëzy, en E.B.I.S.K.A. Dit pamflet is geschreven naar aanleiding van de ruzie die ontstaan was tussen de regenten en de auteurs van de Schouwburg en hun opponenten, die zich hadden verzameld in het kunstgenootschap Nil volentibus arduum.[1] De auteur geeft er blijk van buitengewoon goed op de hoogte te zijn van de door hem op de korrel genomen auteurs. Eén van die auteurs is de dominante en opschepperige Joan Blasius, het kleine broertje van de Amsterdamse hoogleraar anatomie en geneeskunde Gerard Blasius.

Advocaat Joan Blasius (1639-1672) verblijdde de Schouwburg met zes toneelstukken. Zijn debuut, De edelmoedige vyanden (1658, herzien in 1670) was een vertaling van Pierre Scarrons L'Escolier de Salamanque ou les généreux ennemis (1655). Hij schreef dit stuk toen hij in Leiden rechten studeerde. Het stuk beleefde in 1658-59 vijf opvoeringen op de Amsterdamse Schouwburg, de herziene versie werd in april 1671 slechts twee keer opgevoerd. Ook zijn andere stukken waren geen succes. De heren van Nil volentibus arduum maakten gehakt van zijn vertalingen van de Franse originelen, die allemaal slechts vier of vijf opvoeringen zouden beleven na 1665, ondanks het feit dat hij medio 1670 hoofd van de Schouwburg was geworden. Na zijn begrafenis op 6 december 1672 in de Westerkerk in Amsterdam was hij onmiddellijk vergeten. Zijn toneelstukken werden nooit meer op het repertoire genomen. Waar de meeste dichters in die tijd nog door hun kunstbroeders werden herdacht in een gedicht, bleef het na zijn dood stil.  Katharina Lescailje, die zo'n beetje op alle overlijdens en bruiloften een gelegenheidsgedicht schreef, wijdde in 1674 wel een gedicht aan het huwelijk van zijn weduwe Maria Wiebouts met Nicolaas Otto Meijer (hier op p. 81-84). Het feit dat Blasius bij haar ontbreekt is iets om over na te denken.

De auteur van Poëtae Heautontumorumenoi beschuldigt Blasius van plagiaat in diens Fidamants kusjes, minne-wysen en by-rymen aan Celestyne (1663):

Den Heer Advocaet die Latijn hoest, en Frans niest, dien ick uyt een grootschen hoeck wat te blasen, laet ons dan wat hoger singen, ergo Paulò majora caenamus[2]. […] De kusjens uyt Bonefonius geknepen, klappen zijn liefjens so hart voor de lippen, dat dien Heer hem voor de Poëtsche Recht-Banck van een onvergeeflijck diefstuck en derhalven de strop waert coram poëtico tribunali[3] eerstdaegs van furtum extra norman, et ideo laqueo dignum[4] sal beschuldigen:

Blasius blijkt in het eerste gedeelte, Fidamants kusjes aan Celestyne, tweeëntwintig Kusjes van de in totaal één en dertig uit de Basia van Bonefonius vertaald, c.q. bewerkt te hebben zonder zijn bron te noemen. Hij noemt Bonnefons wel in het overzicht van dichters met de namen van hun muze, dat hij opneemt in zijn opdracht aan zijn schoonvader, Aan den Wel-achtbaren en Eer-vasten Heer, Myn Heer Peter Wiebouts, tot Haarlem. Het blijkt dus dat Blasius meer dan slechts inspiratie heeft opgedaan bij Bonefonius[5]. Jean Bonnefons (1554-1614) was advocaat en dichter, vooral bekend om zijn erotische Basia, die veel navolging kregen en tot in de negentiende eeuw werden vertaald.

Blasius zal in een volgende alinea ook worden beschuldigd van het zonder verwijzing naar zijn bron vertalen van enige minnedichtjes van Janus Secundus. Ook schijnt hij nogal gewinkeld te hebben voor zijn rechtsgeleerde werken.

Het is een raadsel hoe Blasius met dit plagiaat drie en een halve eeuw heeft kunnen wegkomen. Blasius' vriend Jacob Westerbaen, zelf vertaler van de Basia van Janus Secundus, schrijft een sonnet voor het voorwerk van Fidamants kusjes, en ook Joachim Oudaen schrijft hiervoor een lofdicht. Zij zouden beiden toch zeker de vertalingen uit Janus Secundus hebben moeten herkennen. Het is eigenlijk nog vreemder dat zelfs na deze duidelijke aanwijzing in het pamflet niemand, zelfs Te Winkel[6] niet, het plagiaat heeft ontdekt.

Overzicht van de ontleningen in Blasius’ Fidamants kusjes, minne-wysen en by-rymen aan Celestyne (1663) aan Bonefonius' Auerni Basia.

Jean Bonnefons (1554-1614) was een Frans neo-latijns dichter. De door Blasius gebruikte editie is zonder twijfel: Joann. Bonefoni, Aruerni Basia, tam Latino quam Gallico idiomate edita Basia, tam Latino quam Gallico idiomate edita. Editio vltima, prioribus auctior longè atque emendiator. Lugduni Batavorum : Ex Typographia Nicolai Herculis, 1659 (tekst).

Blasius bewerkte de oorspronkelijke teksten, het zijn niet altijd letterlijke vertalingen, maar hij wijkt nooit veel van de oorspronkelijke tekst af.

II. Kusje. Hy klaagt, dat Celestyn syn Hart ontrooft heeft - Basium XXII. Conqueritur cor suum à Pancharide esse furto ablatum.
III. Kusje. Hy waarschowt sijn gemoed, dat het voorsichtig met haar moet handelen - Basium V. Præmonet animum suum, ut cautè cum Pancharide agat.
IV. Kusje. Hy bid Venus, dat sy, indien hy onder het kussen komt te sterven, syn Siel als Erfgenaam gelieve t' aanvaarden – Basium XXXII. Rogat Venerem, ut, si forte in prælio Basiorum exspiret, animæ illius hæres esse non dedignetur.
V. Kusje. Op Celestyns Naalde, versoekkende, dat die namaals niet haar Hand, maar haar Hart raak – Basium II. In Acum, à qua Petit, ut pectus Amicæ potius quàm digitos imposterum cuspide pungat.
VII. Kusje. Hy verbeelt sich de aanstaande aangenaamheyd in het kussen – Basium III. Ad Catellum Pancharidis suæ, cui fortunam invidet.
IX. Kusje. Hy begeert, dat sy hem gestadig kus – Basium IX. Vult ut Domina assidue ipsum exosculetur.
XV. Kusje. Hy bid haar om een Kusje en wenscht onder het kussen te sterven – Basium XXXI. Petit basium à Pancharide, & optat ut inter basiandum expiret.
XVI. Kusje. Hy klaagt dat hy geen volkoome reeden heeft om te sterven – Basium XXX. Conqueritur se justam moriendi causam non habere.
XVII. Kusje. Hy wil haar tegen haar wil kussen - Basium VII. Invitam osculabitur.
XVIII Kusje. Hy vervloekt syn Tanden, waar meede hy haar Borsjes onder het kussen gequest hadde - Basium IV. Execratur dentes, quibus inter osculandum papillas dominaæ læserat.
XIX. Kusje. Dat syn Liefde niet veynsen kan. Aan Sijn eenige Broeder, Heer Geeraard Blasius, Der Medicynen Doctor, en in fijn Vaderlijkke Hooge Oeffen-School t' Amsterdam Professor – Basium VI. Ad Matthiam Bruerium, Proprætorem Parisiensem. In Amore jam incepto se perseveraturum scribit.
XX. Kusje. Hy vergelykt syn Minne-quaal, met de plaag van Prometheus, Tityus en Sisyphus – Basium XXIX. Comparat malum suum Venereum cum malo Promethei, Tityi, Sisyphi, &c.
XXI. Kusje. De Traanen van haar, syn geen Traanen, maar Vlammen en stookke-branden ter Liefde – Basium XIX. Dicit lachrymas Pancharillæ non esse lachrymas, sed flammas & incendia amoris.
XXII. Kusje. Dat sy wreeder is, als Donder en Blixem – Basium XXIII. Queritur de Pancharide, quod illa sit sævior maligniorque Tonitru & Fulmine.
XXIV. Kusje. Hy wil haar nooyt meer besoekken – Basium XX. Scribit se nunquam post hac aditurum Pancharillam.
XXV. Kusje. Hy acht sich gelukkig, so sy aan hem gedenkt – Basium XII. Beatum se prædicat, si domina sua illius memorsit.
XXVI. Kusje. Hy wenscht, dat sy door het selve Oog, waar door hy omgekoomen is, ook om-kom.- Basium XXV. Vult ut Pancharis eodem oculo pereat, quo ille periit.
XXVII. Kusje. Hy wenscht die Bloem te weesen, die syn Lief sou gebruykken – Basium XI. Exoptat se Florem illum esse, quo uteretur amica.
XXVIII. Kusje. Hy vergelijkt sich met een Roode en Witte Roos – Basium XXIV. Comparationem facit inter semet ipsum, & Rosam rubentem & pallentem.
XXIX. Kusje. Hy vergroot syn Geluk en Ongeluk in het kussen – Basium XVI. Exaggerat felicitatum & infelicitatum in osculando.
XXX. Kusje. Hy versoekt maat in ’t kussen – Basium XVII. Expetit modum in osculando.
XXXI. Kusje. Hy versoekt een end in het kussen – Basium XXI. Petit à Cupidine, ut finem basiis imponat.




[1] Poëtae Heautontumorumenoi, of, Penne-krygh tusschen de Reformateurs der Poëzy, en E.B.I.S.K.A. Amsterdam, Willem de Lange, 1670. Een uitgave van dit pamflet door Anton Bossers en Marja Geesink is in voorbereiding.
[2] Laat ons belangrijker zaken bezingen. Vergilius, Eclogae, boek 4, vers 1.
[3] voor het dichterstribunaal.
[4] een buitensporige diefstal, en daarom de strop waard.
[5] Zoals Karel Bostoen het formuleert in zijn artikel ‘De noodgreep van een uitgever: de heer P.H. in Focquenbrochs Min in ’t Lazarus-huys’, in: Fumus 9 (2011), p 39.
[6] Jan te Winkel, Mr. Joan Blasius als vertegenwoordiger van de romantische richting onzer letterkunde in de zeventiende eeuw. Haarlem, Bohn, 1881. (Bladzijden uit de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, I).