woensdag 5 september 2018

Wie schreef De Griekse Antigóne?


Op het hoogtepunt van de ruzie rond de Amsterdamse Schouwburg in 1670 tussen Nil Volentibus Arduum en de auteurs en regenten van de Schouwburg verzameld onder de naam E.B.I.S.K.A., gingen laatstgenoemden vol in de aanval. Zij publiceerden een oud toneelstuk, De Griekse Antigóne, en voorzagen dit stuk van een Bericht aan alle liefhebbers der poëzy voorafgaand aan de toneeltekst en sloten de uitgave af met een Nabericht op het dichtkunstigh onderzoek gestelt achter de nagerijmde Oroondates en Statira. De eerste opvoering van dit stuk was op 23 oktober 1670, drie weken na de oorspronkelijk geplande datum. Het voorbericht, ondertekend met N.N., was gedateerd op 1 oktober, wat er op wijst dat de première eigenlijk op die datum plaats had moeten vinden. De auteur van het Bericht is vrijwel zeker het kersverse[1] Schouwburghoofd Joan Blasius, auteur van twee van de vier door Nil gekielhaalde toneelstukken, Dubbel en enkkel en Het huwlyk van Oroondate en Statira.[2] Op 6 oktober 1670 had de première van Blasius’ Het huwlyk van Oroondate en Statira plaatsgevonden. De reactie van Nil in de vorm van het tegenstuk Het huwelyk van Orondates en Statira, voorzien van een Dichtkundig onderzoek en oordeel over het Treurspel van Orondates en Statira verscheen nog vóór de première van Blasius’stuk. Nil was in het bezit gekomen van een gedeelte van Blasius’ stuk, zoals zij in hun opdracht aan Gerard Bicker meedelen. De reactie op Nils kritiek moest vervolgens nog geschreven worden en werd achter De Griekse Antigóne gepubliceerd. Dit zal de oorzaak geweest zijn van de vertraging van de opvoering en de uitgave van het stuk.

Blasius veronderstelt in het Bericht dat Nil ook De Griekse Antigóne zal gaan fileren: de ‘vaderlooze wees’ zal ‘mede de zelve vervolging en verdrukking […] moeten uytstaan, die andere voor haar hebben geleden’[3]. Nil zou dat echter niet doen, omdat zij in een toneelstuk van twintig jaar eerder, dat geschreven was door een toneelspeler die zijn kennis in de praktijk opdeed, de fouten niet zouden gaan aanwijzen. Waarbij nog komt dat zelfs de ‘grootste Meesters […] die misslagen’ begingen.[4]. Dit gold voor De Griekse Antigóne en ook voor Klaagende Kleazjenor, en doolende Doristee, een stuk van de beste acteur uit die tijd, Adam Karels van Germez. Dit laatste stuk was in 1647 in première gegaan en werd november 1670 weer op het repertoire genomen. Beide stukken waren bewerkingen van stukken van Jean De Rotrou. De Rotrou was in de jaren ’40 de meest vertaalde Franse auteur met vier vertalingen.[5]

De Griekse Antigóne was op 24 april 1651 in première gegaan. Alle door de acteurs geleverde stukken gingen in première in de periode dat de acteur/auteur in dienst was van de Schouwburg. In het seizoen 1650-1651 waren dat Isaac Vos, Jan Noozeman, Pieter van Zeerijp, Abraham Sybant, Dirk Kalbergen, A.B. de Leeuw en Hendrik Verbiest. Vos valt als mogelijk auteur af, omdat hij, gezien zijn geringe salaris van slechts 17 gulden in de lente van 1651, zeer waarschijnlijk ziek was. Hij stierf in de herfst van dat jaar. Kalbergen zou in 1652 zijn eersteling schrijven, De Leeuw, die in 1670 werkzaam was bij de Schouwburg, zou zeker niet hebben toegestaan dat één van zijn werken anoniem zou worden uitgegeven. Resteren Van Zeerijp, Noozeman, Verbiest en Sybant. Het is bijzonder moeilijk en arbitrair om een auteur te plakken op een anoniem werk. Soms is er echter een speldje in de hooiberg te vinden. In dit geval is het de ongebruikelijke term ‘bijkomst’ om een nieuw toneel of de opkomst van een nieuw personage aan te kondigen. De gebruikelijke term is ‘uitkomst’ of ‘toneel’, of helemaal niets behalve de altijd aanwezige aangekondigde ‘bedrijven’.

Bijkomst

De term ‘bijkomst’ komt in De Griekse Antigóne voor, en ook in Abraham Sybants De verleyde vriendt, een bewerking van James Shirley’s Love’s cruelty. De Antwerpse dichter Willem Ogier (1618-1689) gebruikte de term By-komingh, wanneer hij een nieuw personage op het toneel introduceert. De term wordt door Willem van Eeghem in De tooneelwerken, deel 1 (1921) ten onrechte verklaard als ‘tooneel (in engeren zin)’. A.A. Keersmaekers verklaart de term in deel 3 (1955) correct: ‘Ogier verdeelde zijn kluchten in ‘uytkomsten’ en ‘Bykominghen’. Deze woorden stemmen niet overeen met onze ‘bedrijven’ en ‘tonelen’; Ogier schrijft uytkomst, wanneer er iemand op het toneel verschijnt, nadat het leeg is geweest, en bykomingh, wanneer er iemand bij-komt, wanneer er dus nog iemand op de scène is en een ander zich bij hem voegt.’ Bij Ogier werd vaak ook de persoon die op het toneel zou komen erbij genoemd: ‘Hans Bykomingh’ bijvoorbeeld. Sybant was van maart 1646 tot april 1650 als reizend acteur actief.[6] Hij zal in die periode ook in Antwerpen zijn geweest, waar hij Ogiers Den haet en nydt gezien kan hebben, dat op 18 oktober 1647 werd gespeeld op de kamer De Violieren. Hij speelde in de seizoenen 1645/6?, april 1650-juni 1651, augustus 1654-maart 1655 op de Schouwburg. De verleyde vriendt werd op 31 mei 1655 voor de eerste keer opgevoerd en vervolgens nog op 23 en 26 augustus. Het is de vraag of hij de première nog heeft meebeleefd, aangezien hij na maart 1655 niet meer in dienst was en in juni overleed. In 1668 werd het weer op het repertoire genomen en in dat jaar werd het ook pas gedrukt. Vermoedelijk werd het op het toneel teruggebracht door A.B. de Leeuw getuige zijn opdrachtversje bij de uitgave. De Leeuw was in die periode de belangrijkste acteur, die toen al zes stukken had geleverd voor het repertoire. Sybant is vooral bekend omdat hij de eerste vertaling van een stuk van Shakespeare in het Nederlands heeft geschreven, De dolle bruyloft, de vertaling van The taming of the shrew. Dit stuk was op 9 november 1654 in première gegaan. Ook Jan Noozeman was lid van het reizende gezelschap. Hij maakte 1649 al een vertaling van De Rotrou’s La Diane, De gelukkige bedriegery, waarmee ook hij in aanmerking komt voor het auteurschap. Hij gebruikte de term ‘bijkomst’ echter niet. Mijn gok is dat De Griekse Antigóne de eersteling is van Abraham Sybant, wiens De verleyde vriendt ook al ver na zijn dood pas werd uitgegeven. Alleen had Blasius om de één of andere reden besloten zijn naam achterwege te laten.




[1] Het seizoen liep van augustus tot juli. Blasius was de opvolger van Lodewijk Meijer, vijand nummer één van Blasius.
[2] Deductie van dr. Joan Bapt: van Lamzweerde , overgegeven aen de ed: achtb: heeren van den gerechte deser stadt Amsterdam, dienende tot justificatie van sijn tractaet, geintituleert, Geluckwenschingh. Amsterdam, H. Sweerts, [1677], p. 4.
[3] De Griekse Antigóne, treurspel. Vertoont op d’Amsterdamsche Schouwburg. Met een Voor- en Nabericht tegens de Dichtkunstige Onderzoekers. Amsterdam, Jacob Lescailje, 1670, fol. A5r.
[4] Antwoordt op het Voor- en Nabericht, by de Antigone gevoegt 1670, fol. A 5v.
[5] Drie waren er door toneelspelers bewerkt: twee door Van Germez, Vervolgde Lavra (1645) en Klaagende Kleazjenor, en doolende Doristee (1647), en één door Jan Noozeman, De gelukkige bedriegery (1649).
[6] Annie van Nassau-Sarolea, Ábraham Sybant, strolling player and first Dutch Shakespeare translator.’ In: Theatre research: 13, 1, p. 38-59. Ik ontleen de gevens betreffende Sybant aan dit artikel.

donderdag 28 juni 2018

Ruzie op de Amsterdamse Schouwburg


In november 1670 verscheen het pamflet Poëtae Heautontumorumenoi, of, Penne-krygh tusschen de Reformateurs der Poëzy, en E.B.I.S.K.A. Er was toen al een jaar lang een felle polemiek gaande tussen een aantal Schouwburgregenten, aangevuld met auteurs van wie de toneelstukken op de Schouwburg in première gingen (E.B.I.S.K.A.), en het gezelschap dat onder het motto Nil Volentibus Arduum alternatieve bewerkingen van de op de Schouwburg opgevoerde stukken produceerde ten einde de wereld te laten zien hoe het beter kon (de Reformateurs). Het pamflet kwam uit ná de verschijning van het anonieme toneelstuk De Griekse Antigóne, met een door N.N ondertekend Bericht aan alle beminnaars der poëzy, waarin het beleid van de Schouwburgregenten wordt verdedigd. Ook bevatte deze uitgave een Nabericht op het Dichtkunstigh Onder zoek gestelt achter de nagerijmde Oroondates en Statira, ondertekend door E.B.I.S.K.A. Hierin gingen de auteurs, die zich achter deze letters verzamelden, in de aanval door op hun beurt fouten in het werk van Nil-auteurs aan te wijzen. Het pamflet verscheen echter vóór de verschijning van het Antwoordt op het Voor- en Nabericht, by de Antigone gevoegt door N.N. en E.B.I.S.K.A, dat in november 1670 verscheen. Hierin wijst Nil overigens ten onrechte Thomas Asselijn aan als de enige auteur die zich achter E.B.I.S.K.A. en N.N. verschuilt. Op dit antwoord van Nil wordt wel ingegaan in het in januari 1671 verschenen pamflet Nieuwe-Jaers-gift, aen Nil volentibus arduum, en E.B.I.S.K.A. Dit pamflet kan worden beschouwd als een vervolg op Poëtae Heautontumorumenoi, maar is zeker niet van dezelfde auteur.

De auteur van de Penne-krygh geeft op verschillende plaatsen in de tekst er blijk van, dat hij de betrokken ruziënde dichters, zowel die van de Schouwburg (E.B.I.S.K.A) als hun tegenstanders (Nil Volentibus Arduum) door en door kent. De literatuur van zijn tijd kent hij zo goed dat hij vaak vernietigend commentaar kan leveren op de pennenvruchten van de door hem behandelde dichters. De auteur van de Nieuwe-Jaers-gift is eveneens goed op de hoogte van de situatie en kent de dichters goed, maar hij is minder inhoudelijk en speelt meer op de man.


De pamfletten zijn nu verschenen op de website van Ceneton, uitgegeven met een inleiding en commentaar en woordverklaringen door Marja Geesink met medewerking van Anton Bossers.

donderdag 10 november 2016

De vignetten van Nil Volentibus Arduum en het hondje van Gerard de Lairesse



In 1668 was de advocaat Andries Pels (1631-1681) getuige bij de doop van De Lairesses oudste zoon Andreas.[1] In hetzelfde jaar vervaardigde De Lairesse de titelprent voor diens Didoos doot en ook de illustraties bij Didoos doot en Julfus. Andries Pels debuteerde met deze stukken op de Amsterdamse Schouwburg.[2] De stukken bestonden beide uit drie bedrijven, die alternerend werden opgevoerd. Julfus had de functie van de minderemanstonelen, de komische intermezzi in ‘ernstige’ rederijkersspelen. Voor beide stukken maakte De Lairesse drie gravures.[3]

Toen in 1669 het genootschap Nil Volentibus Arduum werd opgericht was Pels één van de leden. Hij zal er verantwoordelijk voor zijn geweest dat De Lairesse betrokken raakte bij het genootschap. In 1669 en in 1670 maakte De Lairesse twee versies van het vignet van Nil, dat dienst zou doen op de uitgaven van de toneelstukken in de periode 1669 tot 1671.[4] Deze vignetten waren anoniem, maar zijn in de catalogi van zijn werken altijd aan hem toegeschreven.[5]
In de extractnotulen van Nil[6] is over een opdracht voor deze vignetten niets te vinden, maar dat De Lairesse toentertijd de vaste graveur van Nil was, blijkt ook uit het feit dat het portret van Willem III in het voorwerk van het door Nil uitgegeven toneelstuk van Diederik Buysero Astrate (1670) van de hand van De Lairesse is.
De illustraties en de titelprent bij de toneelstukken van Pels zijn wel voorzien van monogrammen, resp. zijn volledige naam.
Zowel Timmers als Roy beelden versie 1 van het vignet af. Zij kenden dit vignet van de titelpagina van Buysero’s Astrate.
Ook zonder deze bevestiging is het duidelijk dat de vignetten van De Lairesse waren: je hoeft alleen maar het hondje op dit vignet te vergelijken met het hondje dat staat afgebeeld op Kaïn vlucht na de moord op Abel uit 1665. In de veilingcatalogus van de Leidse burgemeester J. van der Marck, waarin de handschriften en drukken uit de nalatenschap van het kunstgenootschap werden aangeboden, wordt dit vignet treffend omschreven als “het tijtelvignet waerin De Bassende Hond”.[7]

Vignet versie 1 (detail)

Vignet versie 2 (detail)

Gerard de Lairesse, Kain en Abel (detail)
Ook het nieuwe vignet uit 1677 is van de hand van De Lairesse. Het met zijn monogram gesigneerde vignet werd in 1689 en 1694 gebruikt, het met zijn complete naam gesigneerde vignet werd echter pas vanaf 1694 gebruikt en in 1700, 1702 en 1704 hergebruikt[8]. Vóór die tijd waren deze vignetten anoniem. Het hondje is weggelaten en van de drie figuren is er één overgebleven die naar de boom boven op de rots reikt. Op 8 december 1676 werd De Lairesse verzocht “een nieuwe schets te maaken van een plaatje voor het werk". Op 6 april 1677 is het koperen plaatje al gemaakt om gebruikt te worden in de Dichtkonstige wérken van het Konstgenootschap.[9]
 

Vignet met De Lairesses monogram
 
In de extractnotulen staat wel iets over een ander vignet, dat echter pas veel later gebruikt zou worden. Op de tweede vergadering op 3 december 1669 wordt “Ter spreuk aangenomen Latet Utilitas; ter zinnebeeld twee kuyffelaars[10] etcetera”.[11] Het motto Latet Utilitas was ontleend aan Ovidius’ Metamorfosen, boek 6, vs. 438: ‘Usque adeo latet utilitas’ (Zolang het nut verborgen/onbekend is. In de vertaling van Vondel: ‘Hoe weinigh weet de mensch wat nut is!’[12])
Op 10 maart 1671 wordt teruggekomen op deze spreuk: “Is by meerder getal van stemmen beslooten de byzondere werkjes der leden niet uit te geeven met het gewoonen merkteken van Nil Volentibus Arduum, maar de spreuk en het merkteken van Latet Utilitas, zoals hetzelve van te vooren geconcipieert was; daartoe op te laaten maaken en te gebruiken.”[13] Op 24 november 1676 lezen wij: “Pels zal zorg dragen, dat’er een finaaltje[14] gemaakt werde met twee kuiffelbordjens[15] en een kuiffeltje[16] en de spreuk Latet Utilitas”.[17] Hier is geen sprake van de kuiffelaars. Dit finaaltje zal hoogstwaarschijnlijk onderdeel zijn van de lessenaar, waarin de notulen en andere papieren van Nil werden opgeborgen. 

Een vignet met het motto Latet Utilitas zou echter pas voor het eerst in 1715 worden gebruikt op de titelpagina van Galatéus, of Welgemanierdheid van Giovanni Della Casa, in 1716 in De leevendige doode van Ysbrand Vincent (naast een Nil-vignet van De Lairesse) en veel later, in 1763 in het blijspel De Schaakingen.[18] Dit blijspel werd uitgegeven door Adriaan Hupkes, die naar eigen zeggen enige manuscripten van Nil had verkregen. Hij gebruikt het Latet Utilitas-vignet dat naar zijn zeggen ‘in den beginne door het genoemde Konstgenootschap gebruikt is geweest’. Deze drie vignetten zijn volledig identiek. Hupkes heeft dus de beschikking gehad over de oorspronkelijke gravure.


Bernard Picard, l’Etude veut du relache (1714) naar Gerard de Lairesse, Latet utilitas (1669)

Het merkwaardige is dat deze gravure in de catalogi van Timmers en Roy niet voorkomt. In het Rijksprentenkabinet bevindt zich een exemplaar van dit vignet onder de titel Een leraar speelt badminton met zijn leerling, Bernard Picart, naar Gerard de Lairesse, 1714. Onder de prent zelf staat: L’Etude veut du relache. B. Picard fecit 1714. Picard was de schoonzoon van Ysbrand Vincent, de enige van de Nil-leden die toen nog in leven was. Hij bezat het archief, waarin het ontwerp van De Lairesse uit 1669 voor dit vignet aanwezig zal zijn geweest. Nu Picard er een gravure van had gemaakt, kon het eindelijk gebruikt worden, ook al was het dan niet voor ‘de byzondere werkjes der leden’. Gelukkig komt op deze afbeelding ook De Lairesse’s trouwe hondje weer voor.



[1] Jaap van der Veen, “Very proud, self conceited, debauched & extravagant’. Gerard de Lairesse en zijn Amsterdamse jaren.’In: Eindelijk! De Lairesse. Klassieke schoonheid in de Gouden Eeuw. Red. Josien Beltman [e.a.]. Zwolle [enz.], 2016, p. 23. De doop vond plaats op 29 augustus 1668 (Ecartico. Linking cultural industries in the early modern Low Countries).
[2] Andries Pels, Didoos doot, treurspel. Met eenige konstwerken, vertoont op d’Amsterdamsche Schouwburg. Amsterdam 1668, en Julfus, blyspel. Vertoont op d’Amsterdamsche Schouwburg. Amsterdam 1668. De première was op 27 augustus 1668. Het was het eerste premièrestuk van het seizoen 1668-1669.
[3] Tijana Z̆akula markeert deze gravures als de start van De Lairesse als graveur (Tijana  Z̆akula, ‘Rackets, balls and fancy robes. The destiny of De Lairesse’s first vignette for Nil Volentibus Arduum.’ In “Gij zult niet feestbundelen”. 34 Bijdragen voor Peter Hecht. Amsterdam, 2016, p. 262-267).
[4] Zie voor de twee versies van het vignet in dit blog Joannes van den Bergh en de messieurs Nil volentibus arduum.
[5] J.J.M Timmers, Gérard Lairesse. Amsterdam, 1942, p. 127  en Alain Roy, Gérard de Lairesse (1640-1711). Paris, 1992, p. 447.
[6] B.P.M. Dongelmans, Nil volentibus arduum: documenten en bronnen. Een uitgave van een inleiding, commentaar en een lijst van N.V.A. drukken. Utrecht, 1982.
[7] Naemrol der Nederduitsche Tooneelspellen, bijeen verzameld en nagelaeten door Wijlen […] Johan van der marck […]. Leyden, 1774, p. 3.
[8] Dongelmans, p. 398, gravure 12, die gesigneerd is met het monogram GL van De Lairesse. Gravure 11 is de eerste gravure die met de volledige naam, GLairesse F[ecit] is ondertekend en vanaf 1694 in gebruik was.
[9] Dongelmans, p. 171. De gebruikte gravure is nr. 3, die dus vóór gravure nr. 2 verschenen moet zijn. Deze gravure werd alleen in 1676 en 1678 gebruikt. Gravure 2 komt op tussen 1678 en 1723 gedateerde uitgaven voor.
[10] Kaatsers. Het spel lijkt op badminton.
[11] Dongelmans, p. 30.
[12] P. Ovidius Nazoos Herscheppinge. Het zeste boek,vs. 587. Tijana Z̆akula gaat in op het motief van het raketspel in de kunst in de 16de en 17de eeuw.
[13] Dongelmans, p. 58.
[14] Een puntige afwerking als sluiting, bijvoorbeeld op een kastje.
[15] Rackets.
[16] Shuttle.
[17] Dongelmans, p. 161.
[18] Voorbericht aan den leezer (De schaakingen, p. [*2r]). Hupkes was de uitgever van De Hollandsche Tooneel-Beschouwer, waarin de opvoeringen op de Schouwburg nogal kritisch werden besproken.