zaterdag 12 januari 2019

Jan Baptist van Lamzweerde, pamflettist

Salomon Savery, De loges van de Schouwburg (detail)


In de vorige twee afleveringen van dit blog draaide het om de tweejarige Schouwburgoorlog, die woedde van eind 1669 tot begin 1672. Dat de ruzie destijds behoorlijk wat aandacht kreeg, blijkt uit de beide pamfletten die kort na elkaar verschenen, in november 1670 Poëtae Heautontumorumenoi, of, Penne-krygh tusschen de Reformateurs der Poëzy, en E.B.I.S.K.A., begin 1671 gevolgd door de Nieuwe-jaers-gift, aen Nil Volentibus Arduum en E.B.I.S.K.A. De auteur van dit laatste pamflet heeft duidelijk pret om de gissingen van Nil Volentibus Arduum naar de identiteit van de lieden die zich achter alle gebruikte letters verschuilen. Ook Nils verbeten zoektocht naar de auteur van de Penne-krygh vindt hij heel erg grappig. Zelf kiest hij er voor zich op enigerlei wijze bekend te maken. En dan niet door middel van letters zoals de Schouwburgdichters, ‘dat’s ham sonder mostaert, en geen Manne- (ick laet staen Poëte-) kost’, zegt hij, maar hij gebruikt een spreuk ‘’t welck waerlick alsoo valjant [deugdelijk] is als Nil volentibus arduum, schoon het (gelijck het hare) behendigh ontleent, of liever, eerlick gestolen is’. Zijn motto luidt In utrumque paratus, afkomstig uit Vergilius, Aeneas boek II, vs. 61. Zijn vertaling luidt: ‘Ten wederzijden bereyt.’ Hij geeft als bijzonderheid dat deze spreuk de ‘tytel der zee-soldaten’ is. Deze bijzonderheid biedt geen enkele hulp bij de identificatie van de auteur en speelt in het pamflet geen enkele rol. Op zoek naar dit motto kwam ik alleen de beruchte ruzieschopper Jan Baptist van Lamzweerde tegen. In 1674 groet Van Lamsweerde zijn lezers met ‘Ad utrumque paratus manet. Vale.’ Ofwel: hij blijft ‘ten wederzijden bereyt’. ‘Manet’ verwijst terug naar een eerder gebruik van de spreuk. Van Lamzweerde was een katholiek arts met een slechte reputatie en stond bekend als stokebrand. Hij klaarde klussen voor Gerard Blasius, hoogleraar medicijnen in Amsterdam, die de reputatie had dat hij onderzoek van anderen onder zijn naam claimde en publiceerde. Van Lamsweerde deed dat zonder twijfel voor geld. Samen met de jongere broer van Gerard, Joan Blasius, schreef hij opdrachtgedichten in het Latijn, die Gerard vervolgens gebruikte om andere geleerden mee te vleien. Kortom, hij bevond zich regelmatig in het gezelschap van de dichter en toneelschrijver Joan Blasius, één van de spilfiguren van de Schouwburgoorlog. Hij zou in 1677 meedelen dat Blasius de auteur was van het Bericht aan alle liefhebbers der poëzy, dat voorafging aan De Griekse Antigóne (zie de bijdrage van 5 september). Hij heeft dus met de neus bovenop het gekibbel gezeten en dat zal hij erg leuk hebben gevonden[1]. Van Lamzweerde speelde ook een prominente rol in de pamflettenstrijd van 1677-1678, waarin hij, samen met het Schouwburghoofd Jan Koenerding, behoorlijk wat vuil zou spuiten over de voornaamste leden van Nil, Lodewijk Meijer, Andries Pels en Johannes Bouwmeester.[2] Het is een gevaarlijk bedrijf auteurs van pamfletten proberen te ontmaskeren. Zekerheid verkrijgt men zelden, en eigenlijk alleen als de auteur ontdekt wil worden. Het is naarstig zoeken naar meer dan één aanwijzing. 

            De Nieuwe-Jaers-gift begint met een initiaal W. Dit initiaal is terug te vinden in een aantal werken die de boekhandelaar Joannes van Someren in die periode uitgaf. 

Nieuwe-jaers-gift. Amsterdam, Thomas Vredeman (fictieve naam), 1671

Wanneer men zijn uitgaven in de STCN bekijkt, komt men weer de naam Jan Baptist van Lamsweerde tegen. In het ook in 1671 verschenen Het nieuwe wapen-huys der chirurgie, een bewerking van Van Lamsweerde van een werk van de Duitse chirurg Johannes Scultetus, wordt dezelfde initiaal gebruikt. Boekhandelaar Van Someren zal Van Lamzweerde zijn drukker hebben aanbevolen.

Joannes Scultetus, Het nieuwe wapen-huys der chirurgie. Verbetert […] door Joannes Baptista van Lamzweerde. Amsterdam, J. van Someren, 1671

Na de pamflettenstrijd in 1678 glorieus te hebben verloren, vertrok Van Lamzweerde naar Keulen. Hij had veel geld moeten neerleggen voor zijn pamfletten, die hij ongetwijfeld zelf heeft moeten financieren. Deze pamfletten werden uitgegeven door Hieronymus Sweerts. Sweerts verhuurde zijn bovenverdieping aan Jacob van Ruysdael, van wie Van Lamsweerde 400 gulden (nu zou dat ongeveer 4600 euro zijn) leende, die hij nooit zou terugbetalen.[3]



[1] Hij was al langer geïnteresseerd in toneel, zoals blijkt uit de opdracht voor zijn Het nieuwe wapen-huys der chirurgie (1671) aan twee vrienden, Jurriaen Bouckart en Reinier de Swaen. Hij kende hen van de rooms-katholieke schuilkerk ’t Boompje. Jurriaen Bouckart was de zoon van de toneelauteur Jurriaen Bouckart, die het succesvolle stuk De nederlaagh van Hannibal (1653) schreef. Hij memoreert dat het stuk ooit werd opgevoerd voor de Spaanse gezant te Den Haag, don Esteban de Gamarra. Deze voorstelling vond plaats op donderdag 11 januari 1657.
[2] Zie voor deze pamflettenstrijd Luuc Kooimans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch. Amsterdam, 2004, p. 105-144.
[3] Jan Paul Hinrichs, ‘Nogmaals over een oud raadsel : Jacob van Ruisdael, Arnold Houbraken en de Amsterdamse naamlijst van geneesheren.’ In: Oud Holland: 126 (2013), p. 60.