woensdag 13 augustus 2014

De schrijvende advocaat Joan Blasius pleegt plagiaat en komt er drie en een halve eeuw mee weg




In 1670 verscheen het pamflet Poëtae Heautontumorumenoi, of, Penne-krygh tusschen de Reformateurs der Poëzy, en E.B.I.S.K.A. Dit pamflet is geschreven naar aanleiding van de ruzie die ontstaan was tussen de regenten en de auteurs van de Schouwburg en hun opponenten, die zich hadden verzameld in het kunstgenootschap Nil volentibus arduum.[1] De auteur geeft er blijk van buitengewoon goed op de hoogte te zijn van de door hem op de korrel genomen auteurs. Eén van die auteurs is de dominante en opschepperige Joan Blasius, het kleine broertje van de Amsterdamse hoogleraar anatomie en geneeskunde Gerard Blasius.

Advocaat Joan Blasius (1639-1672) verblijdde de Schouwburg met zes toneelstukken. Zijn debuut, De edelmoedige vyanden (1658, herzien in 1670) was een vertaling van Pierre Scarrons L'Escolier de Salamanque ou les généreux ennemis (1655). Hij schreef dit stuk toen hij in Leiden rechten studeerde. Het stuk beleefde in 1658-59 vijf opvoeringen op de Amsterdamse Schouwburg, de herziene versie werd in april 1671 slechts twee keer opgevoerd. Ook zijn andere stukken waren geen succes. De heren van Nil volentibus arduum maakten gehakt van zijn vertalingen van de Franse originelen, die allemaal slechts vier of vijf opvoeringen zouden beleven na 1665, ondanks het feit dat hij medio 1670 hoofd van de Schouwburg was geworden. Na zijn begrafenis op 6 december 1672 in de Westerkerk in Amsterdam was hij onmiddellijk vergeten. Zijn toneelstukken werden nooit meer op het repertoire genomen. Waar de meeste dichters in die tijd nog door hun kunstbroeders werden herdacht in een gedicht, bleef het na zijn dood stil.  Katharina Lescailje, die zo'n beetje op alle overlijdens en bruiloften een gelegenheidsgedicht schreef, wijdde in 1674 wel een gedicht aan het huwelijk van zijn weduwe Maria Wiebouts met Nicolaas Otto Meijer (hier op p. 81-84). Het feit dat Blasius bij haar ontbreekt is iets om over na te denken.

De auteur van Poëtae Heautontumorumenoi beschuldigt Blasius van plagiaat in diens Fidamants kusjes, minne-wysen en by-rymen aan Celestyne (1663):

Den Heer Advocaet die Latijn hoest, en Frans niest, dien ick uyt een grootschen hoeck wat te blasen, laet ons dan wat hoger singen, ergo Paulò majora caenamus[2]. […] De kusjens uyt Bonefonius geknepen, klappen zijn liefjens so hart voor de lippen, dat dien Heer hem voor de Poëtsche Recht-Banck van een onvergeeflijck diefstuck en derhalven de strop waert coram poëtico tribunali[3] eerstdaegs van furtum extra norman, et ideo laqueo dignum[4] sal beschuldigen:

Blasius blijkt in het eerste gedeelte, Fidamants kusjes aan Celestyne, tweeëntwintig Kusjes van de in totaal één en dertig uit de Basia van Bonefonius vertaald, c.q. bewerkt te hebben zonder zijn bron te noemen. Hij noemt Bonnefons wel in het overzicht van dichters met de namen van hun muze, dat hij opneemt in zijn opdracht aan zijn schoonvader, Aan den Wel-achtbaren en Eer-vasten Heer, Myn Heer Peter Wiebouts, tot Haarlem. Het blijkt dus dat Blasius meer dan slechts inspiratie heeft opgedaan bij Bonefonius[5]. Jean Bonnefons (1554-1614) was advocaat en dichter, vooral bekend om zijn erotische Basia, die veel navolging kregen en tot in de negentiende eeuw werden vertaald.

Blasius zal in een volgende alinea ook worden beschuldigd van het zonder verwijzing naar zijn bron vertalen van enige minnedichtjes van Janus Secundus. Ook schijnt hij nogal gewinkeld te hebben voor zijn rechtsgeleerde werken.

Het is een raadsel hoe Blasius met dit plagiaat drie en een halve eeuw heeft kunnen wegkomen. Blasius' vriend Jacob Westerbaen, zelf vertaler van de Basia van Janus Secundus, schrijft een sonnet voor het voorwerk van Fidamants kusjes, en ook Joachim Oudaen schrijft hiervoor een lofdicht. Zij zouden beiden toch zeker de vertalingen uit Janus Secundus hebben moeten herkennen. Het is eigenlijk nog vreemder dat zelfs na deze duidelijke aanwijzing in het pamflet niemand, zelfs Te Winkel[6] niet, het plagiaat heeft ontdekt.

Overzicht van de ontleningen in Blasius’ Fidamants kusjes, minne-wysen en by-rymen aan Celestyne (1663) aan Bonefonius' Auerni Basia.

Jean Bonnefons (1554-1614) was een Frans neo-latijns dichter. De door Blasius gebruikte editie is zonder twijfel: Joann. Bonefoni, Aruerni Basia, tam Latino quam Gallico idiomate edita Basia, tam Latino quam Gallico idiomate edita. Editio vltima, prioribus auctior longè atque emendiator. Lugduni Batavorum : Ex Typographia Nicolai Herculis, 1659 (tekst).

Blasius bewerkte de oorspronkelijke teksten, het zijn niet altijd letterlijke vertalingen, maar hij wijkt nooit veel van de oorspronkelijke tekst af.

II. Kusje. Hy klaagt, dat Celestyn syn Hart ontrooft heeft - Basium XXII. Conqueritur cor suum à Pancharide esse furto ablatum.
III. Kusje. Hy waarschowt sijn gemoed, dat het voorsichtig met haar moet handelen - Basium V. Præmonet animum suum, ut cautè cum Pancharide agat.
IV. Kusje. Hy bid Venus, dat sy, indien hy onder het kussen komt te sterven, syn Siel als Erfgenaam gelieve t' aanvaarden – Basium XXXII. Rogat Venerem, ut, si forte in prælio Basiorum exspiret, animæ illius hæres esse non dedignetur.
V. Kusje. Op Celestyns Naalde, versoekkende, dat die namaals niet haar Hand, maar haar Hart raak – Basium II. In Acum, à qua Petit, ut pectus Amicæ potius quàm digitos imposterum cuspide pungat.
VII. Kusje. Hy verbeelt sich de aanstaande aangenaamheyd in het kussen – Basium III. Ad Catellum Pancharidis suæ, cui fortunam invidet.
IX. Kusje. Hy begeert, dat sy hem gestadig kus – Basium IX. Vult ut Domina assidue ipsum exosculetur.
XV. Kusje. Hy bid haar om een Kusje en wenscht onder het kussen te sterven – Basium XXXI. Petit basium à Pancharide, & optat ut inter basiandum expiret.
XVI. Kusje. Hy klaagt dat hy geen volkoome reeden heeft om te sterven – Basium XXX. Conqueritur se justam moriendi causam non habere.
XVII. Kusje. Hy wil haar tegen haar wil kussen - Basium VII. Invitam osculabitur.
XVIII Kusje. Hy vervloekt syn Tanden, waar meede hy haar Borsjes onder het kussen gequest hadde - Basium IV. Execratur dentes, quibus inter osculandum papillas dominaæ læserat.
XIX. Kusje. Dat syn Liefde niet veynsen kan. Aan Sijn eenige Broeder, Heer Geeraard Blasius, Der Medicynen Doctor, en in fijn Vaderlijkke Hooge Oeffen-School t' Amsterdam Professor – Basium VI. Ad Matthiam Bruerium, Proprætorem Parisiensem. In Amore jam incepto se perseveraturum scribit.
XX. Kusje. Hy vergelykt syn Minne-quaal, met de plaag van Prometheus, Tityus en Sisyphus – Basium XXIX. Comparat malum suum Venereum cum malo Promethei, Tityi, Sisyphi, &c.
XXI. Kusje. De Traanen van haar, syn geen Traanen, maar Vlammen en stookke-branden ter Liefde – Basium XIX. Dicit lachrymas Pancharillæ non esse lachrymas, sed flammas & incendia amoris.
XXII. Kusje. Dat sy wreeder is, als Donder en Blixem – Basium XXIII. Queritur de Pancharide, quod illa sit sævior maligniorque Tonitru & Fulmine.
XXIV. Kusje. Hy wil haar nooyt meer besoekken – Basium XX. Scribit se nunquam post hac aditurum Pancharillam.
XXV. Kusje. Hy acht sich gelukkig, so sy aan hem gedenkt – Basium XII. Beatum se prædicat, si domina sua illius memorsit.
XXVI. Kusje. Hy wenscht, dat sy door het selve Oog, waar door hy omgekoomen is, ook om-kom.- Basium XXV. Vult ut Pancharis eodem oculo pereat, quo ille periit.
XXVII. Kusje. Hy wenscht die Bloem te weesen, die syn Lief sou gebruykken – Basium XI. Exoptat se Florem illum esse, quo uteretur amica.
XXVIII. Kusje. Hy vergelijkt sich met een Roode en Witte Roos – Basium XXIV. Comparationem facit inter semet ipsum, & Rosam rubentem & pallentem.
XXIX. Kusje. Hy vergroot syn Geluk en Ongeluk in het kussen – Basium XVI. Exaggerat felicitatum & infelicitatum in osculando.
XXX. Kusje. Hy versoekt maat in ’t kussen – Basium XVII. Expetit modum in osculando.
XXXI. Kusje. Hy versoekt een end in het kussen – Basium XXI. Petit à Cupidine, ut finem basiis imponat.




[1] Poëtae Heautontumorumenoi, of, Penne-krygh tusschen de Reformateurs der Poëzy, en E.B.I.S.K.A. Amsterdam, Willem de Lange, 1670. Een uitgave van dit pamflet door Anton Bossers en Marja Geesink is in voorbereiding.
[2] Laat ons belangrijker zaken bezingen. Vergilius, Eclogae, boek 4, vers 1.
[3] voor het dichterstribunaal.
[4] een buitensporige diefstal, en daarom de strop waard.
[5] Zoals Karel Bostoen het formuleert in zijn artikel ‘De noodgreep van een uitgever: de heer P.H. in Focquenbrochs Min in ’t Lazarus-huys’, in: Fumus 9 (2011), p 39.
[6] Jan te Winkel, Mr. Joan Blasius als vertegenwoordiger van de romantische richting onzer letterkunde in de zeventiende eeuw. Haarlem, Bohn, 1881. (Bladzijden uit de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, I).

vrijdag 4 juli 2014

Het bezoek van Cosimo de' Medici aan de Schouwburg op vrijdag 30 december 1667



In het onlangs verschenen boek van Lodewijk Wagenaar, Een Toscaanse prins bezoekt Nederland. De twee reizen van Cosimo de’ Medici, 1667-1669[i] kan men op p. 76-77 lezen, hoe Cosimo op 30 december 1667 een speciale voorstelling op de Amsterdamse Schouwburg bezoekt. Het vertoonde stuk, in de vertaling van het verslag van kamerheer Filippo Corsini aangeduid als Jason en Medea of de verovering van het Gulden Vlies, wordt door Wagenaar geïdentificeerd als de Medea (1667) van Jan Vos. Hij volgt hiermee G.J. Hoogewerff, die in 1919 alle journalen en bronnen over deze reizen uitgaf en van commentaar voorzag.[ii] Het betrof echter niet het spektakelstuk van Jan Vos, maar een stuk, dat diens Medea in dit opzicht beoogde te overtreffen, namelijk het Ghulde vlies (1667) van Lodewijk Meijer. Dit stuk was op 1 december 1667 in première gegaan en had vanaf het begin veel publiek getrokken. Dit gold overigens ook voor het stuk van Vos, dat op 10 januari 1667 zijn eerste opvoering had beleefd. Meijer legt in zijn Voorreeden uit hoe hij, in tegenstelling tot Vos, er niet op uit is om én het oor én het oog te behagen, maar vooral het oog. In de tekst van het Ghulde vlies worden de spectaculaire kunst- en vliegwerken uitgebreid beschreven. Meijer overtreft hier niet alleen Jan Vos, maar ook Pierre Corneille, wiens La conquête de la toison d’or (1661) door hem vrij wordt bewerkt. Het gaat Meijer, die in die tijd regent van de Schouwburg was en er op uit om de prominente plaats van de die zomer overleden Jan Vos in te nemen, erom om zoveel mogelijk publiek te trekken. En het was de bedoeling om met dit stuk de mogelijkheden van de onlangs vernieuwde Schouwburg optimaal te benutten. Het stuk werd in december 1667 zeven keer achter elkaar opgevoerd op de reguliere speeldagen, maandag en donderdag. Ook wilde hij het stadsbestuur met dit stuk overtuigen van zijn kwaliteiten door op 27 december 1667 dit stuk voor hen te laten opvoeren. 
Een jaar later, op 27 december 1668, laat hij dit stuk nogmaals voor de regeerders en burgemeesters opvoeren, toen hij verwikkeld was in een machtsstrijd met een aantal mederegenten. Hij zou deze strijd overigens verliezen en werd in juli bij de herverkiezing uit het college gewipt.

Zowel de voorstelling voor de burgemeesters als die voor de prins van Toscane vonden plaats op dagen waarop nooit werd gespeeld, namelijk op respectievelijk dinsdag en vrijdag. Het was de gewoonte dat er dan geen publiek bij was, uitsluitend genodigden. Dat bleek dus pech voor Cosimo, die ‘het beste ornament, het publiek en de dames’ (p. 77) node miste. Wagenaar trekt op p. 12 dus ten onrechte de conclusie, als zou het stadsbestuur de wens “geen poespas alstublieft” van Cosimo verkeerd hebben opgevat door geen publiek toe te laten. Het stuk was, ook al kon het Italiaanse gezelschap er geen woord van verstaan, echter wel een succes, door het regelmatige ach en wee geroep en het vliegwerk en de machinerieën die veelvuldig werden ingezet. Het oog, wat Meijer als belangrijkste element beschouwde, werd dus met succes bediend. De voorstelling werd opgeluisterd met een welkomstgedicht en een dankzegging van Meijer, die beide te vinden zijn in Hs. Meijer, UB Leiden, Ltk. 1043. De schout, die Cosimo tijdens de voorstelling bezighield, zal wellicht voor de vertaling hebben gezorgd.

In 1665 was de Schouwburg na een ingrijpende verbouwing heropend. Door met nieuwe technieken te werken waren de kunst- en vliegwerken mogelijk gemaakt, waarvan Vos en Meijer dankbaar gebruik zouden maken. In de Beschryvinge van Amsterdam van Isaac Commelin[iii] wordt over de Nieuwe Schouwburg meegedeeld, dat deze voorzien was van ‘een nieuw Tooneel, (na d’Italiaanze manier, als men nu te Venetien gebruykt, met alle bedenkkelijke [=denkbare] en schielijkke [=snelle] veranderingen van Perspectiven of Inzichten, en veelderley Vliegende Werkken, die men Machines noemt,) in de plaats te stellen; op dat d’aanschouwers alle omstandigheden van de plaatzen der speelen, als Paleyzen, Steden, Dorpen, Zalen, Landtschappen, Hoven, Bossen, Rotzen, Bergen, Duynen, Stranden, Zeen, Hemel, Hel, met hun behoorlijk gezwier, van allerley Geesten, Dieren, Vogelen, Visschen, &c. Soo natuurlyk en als levendig, benevens d’Actien en beweeglijkheden der Speelders, zullen konnen zien, als d’uytspraak van hare Rollen, met opmerking, aanhoren.’ Meijers beste vriend, Joannes Bouwmeester, heeft deze technieken meegenomen uit Italië. In zijn dagboek schrijft hofmeester Filippo Marchetti over de voorstelling dat deze, hoewel in ‘lingua fiaminga’ gespeeld, vooral interessant was door de wisseling van de scènes, het vliegwerk en de balletten, die, zoals hij meedeelt, ook in Italië in gebruik zijn.[iv]


[i] Bezorgd, ingeleid en geannoteerd door Lodewijk Wagenaar, uit het Italiaans vertaald door Bertie Eringa. Amsterdam, Bas Lubberhuizen, 2014.
[ii] De twee reizen van Cosimo de’ Medici Prins van Toscane door de Nederlanden (1667-1669). Journalen en documenten. Uitgegeven door G.J. Hoogewerff. Amsterdam, Johannes Múller, 1919, p. 69.
[iii] Amsterdam, M.W. Doornick, 1665, IV. Boek, p. 207.
[iv] Hoogewerff, p. 208.